©
Spelen - Delen
 
Bezig zijn met een spel of sport is spelen.
Ieder een deel geven, dat is delen.

Als ik straks met mijn zusje ga spelen
moet ik ook mijn speelgoed met haar delen.
Ik vind het best leuk om met haar te spelen.
Maar ik wil mijn speelgoed niet met haar delen.

Bezig zijn met een spel of sport is spelen.
Ieder een deel geven, dat is delen.

In de vakantie ga ik in het zwembad spelen.
Ik moet het zwembad met anderen delen.
Zo hoef ik nooit meer alleen te spelen.
Ik wil met al mijn vrienden het zwembad delen.

Bezig zijn met een spel of sport is spelen.
Ieder een deel geven, dat is delen.

Als het regent gaan we met kaarten spelen.
Mijn tegenstander gaat de kaarten delen.
Welke kaart moet ik als eerste uitspelen?
Daarna moet ik alle kaarten verdelen.

Bezig zijn met een spel of sport is spelen.
Ieder een deel geven, dat is delen.


©